Zij praatte. En praatte. Over haar collega’s en haar bazin natuurlijk. Klagen en slecht. De anderen die het voor haar onmogelijk maakten. Zo praatte ze tot in het Noordstation.
De man tegenover haar luisterde. Hij zag er moe en versleten uit, maar luisterde. Uit beleefdheid en aanvankelijk uit mededogen. De krant lag ongeroerd op zijn schoot.
Klagerig en zeurderig, maar zacht en heimelijk. Miserie die over de ander wordt heen gegooid. Ze praatte haar eigen frustraties een ander toe. Vermoeiend eenrichtingsverkeer.
De trein kwam aan in het station. Pratend stond ze op. Nog een laatste voorovergebogen zeurtje kon er vanaf. Dan liep ze door, met een verkrampt gezicht vol zelfbeklag.
Hij zuchtte diep en ontspande. De man keek opgelucht en lichtjes in paniek tezelfdertijd. Hij vouwde met overtuiging zijn krant open.
Tegelijkertijd fronste hij de wenkbrouwen vanwege het besef dat hem maar weinig tijdgegund was.
Morgen zou hij haar ontlopen. Hij zou de krant lezen van vertrek tot aankomst. Hij zou genieten van het niet luisteren.
zo typisch…
mooi geschreven, heel herkenbaar, zo probeer ik bepaalde mensen ook wel eens te ontwijken
wenkbrauw met A U ? toch?
zo kan ik mijn frustraties ook eens kwijt alvorens de trein op te stappen