Ik ben een gordijntjespieper. Althans, ik ben het geworden. Een verdoken observator van wat er zich voor mijn deur afspeelt. Een waarnemer, met één oog tussen twee gordijnen, geholpen door een vinger die de scene ontbloot.
Nochtans waren die zon doorlatende Zweedse rolletjes er gekomen om nieuwsgierige buitenstaanders de inkijk op ons leven te ontnemen. De bezoedelde blik van de willekeurige straatganger te verhinderen. We voelden ons plots geborgen. Gezelligheid sloeg toe.
Op de tweede verdieping bleek het terugplaatsen van een kamerdeur overigens voldoende. Daar zijn voorlopig geen gordijnen aan de orde. Het zelfvertrouwen van mijn overbuur leeft ondertussen weer op. Mijn naakte ochtendritueel brengt zijn ego geen verdere deuken meer toe.
Maar omgekeerd is mijn zicht naar buiten voortaan verhinderd. Wat rest is een schimmenspel van profielen in rijk contrast. Ik heb geen beeld van het onverlaat dat zich jammerlijk rechtmatig voor mijn deur parkeert. Geen identificatie van eikeltjes met jengelende brommertjes, die de straat op en af janken. Geen stationair draaiende luxe bak die een dame komt opvissen.
Dus piep ik tussen de blindering, zodra een wagen zich voor de verworven gevel parkeert, om de gemene valsaard te benoemen. Bij de minste blaf begeef ik me naar onze glaspartij, om de vijf centimeter gordijnspleet te benutten. Steeds in aanslag om weg te duiken, zodra mijn blik beantwoord wordt.
Sociografie in eigen straat. De wereld aan de andere kant van de aquarium. U zit er in. Maar bent teveel elkaar aan ‘t bezigen om omhoog te kijken. Anders zag u mij. Door de gordijnspleet piepen. Net voor ik wegduik. Waarna de gordijn kort heen en weer wiegt, om in rust te eindigen. Alsof er niets aan de hand is.

Ik zal in ‘t vervolg omhoog kijken en zwaaien.
Wij zijn dat stadium voorbij: wij gaan gewoon met onze klapstoeltjes op straat zitten, met de buren, voor onze deur.
Mensen kijken, open en bloot. Soms hallo zeggen, ook. En nijdig kijken naar de auto’s die te snel rijden.