België. Samengesteld uit restjes, zoals mijn eten op maandagavond. Stukjes regio’s die als kleurtjes play-doh tegen elkaar zijn gekleefd. Een koning er boven en de natie is gecreëerd. Het staat op mijn paspoort: Belg. Ik voel er niets bij, maar dit vehikel is mijn land. Eentje van de witte producten. Een wettelijk kader dat het Europese noorden van het zuiden scheidt. En omdat niemand er een gevoel tout court bij heeft, werd dit stukje weiland en bos tot hoofdstad van dat Europa benoemd. Brussel. Een schuif vol kousen, waarmee je geen gelijk paar kan samenstellen. We vinden dat charmant, wij kleine Belgen. En dat is onze kracht.
Zoals aardkorsten uit elkaar schuiven, verglijdt dit land in delen. We spreken Nederlands in het noorden en zij spreken Frans in het zuiden. We zeggen het met weinig woorden en zij met veel. Wij verteren onze emotie inwendig en zij uiten de hunne met veel geste. Eerst waren zij de kneusjes en nu zijn wij het. Hoewel wij vergeten zijn dat wij het ooit waren. Benieuwd wie het over enkele decennia zal zijn. De tijd van nationale partijen ligt ver achter ons. De laatste nationaal denkende politici schrijven hun memoires. We kiezen de regering van land, als een zwart-wit cake die niet kan mengen.
Tegelijkertijd kruipen uit de wazige pagina’s van onze geschiedenis de Vlaamse Nationalisten op. Zij hebben een ‘gevoel’ bij Vlaanderen. Trots op een vlag scanderen ze een lied. Het doet mij wat aan Suske & Wiske denken: iets van vroeger, dat ik uit verveling bij de kapper las, toen ik nog haar had. Toen alles anders was en volgens sommigen ook beter. Ze prediken het einde van België en een onafhankelijk Vlaanderen. Die anderen, die Franstaligen, zij zijn de reden waarom alles fout gaat. Alsook drie generaties migranten, de onechte Vlamingen, die weigeren de vlag te groeten. België, het ligt me niet aan mijn hart. Evenmin als Vlaanderen. Als becijferd werd dat de voordelen groter zijn dan de nadelen en de kost haalbaar, ben ik in se niet tegen tegen splitsing. Dan worden we een soort Luxemburg of Andorra, hoewel ik niet hoef te hopen dat de taksen even laag zouden zijn.
September 2008: crisis. Na heel wat vette jaren volgen nu de magere. Het oud Europe kreunt. Jonge landen met een tienvoud van onze populatie zijn in volle ontwikkeling. Ze willen datgene, wat wij niet willen verliezen: welvaart. We voelen ons bedreigd. Zij doen hetzelfde als wij, maar voor minder en gretiger. Ze zijn met meer en ze nemen nooit verlof, laat staan dat ze op brugpensioen gaan. Een deel van hen wil naar hier komen. Ons negen tot vijf bestaan wordt bedreigd. We hebben ons zwaar in de schulden gestoken voor een comfortabel leventje. Een loodzware erfenis voor wie volgt. Ondertussen bestaan onze troepen uit vermoeide grijzaards die dromen van de terminus aan zee. In mijn jeugd de belgische kust, in die van mijn kinderen de Vlaamse.
Het Belgische systeem werkt steeds minder goed. Hoe vaker we het zeggen, hoe harder we het geloven en hoe meer het waarheid wordt. De kracht van het geloof, waarheid of leugen. We moeten besparen. Kamp noord wil het met minder doen; minder overheid, minder uitgaven, minder belastingen. Kamp zuid wil meer geld vragen, zodat mensen evenveel kunnen uitgeven en niemand minder heeft. Hoe scherper de tegenstelling wordt verwoord, hoe killer de relaties. Terwijl beide kampen tot samenwerken zijn gedoemd. Bedgenoten die zwijgend met de rug naar elkaar het licht uitknippen. Nooit leuk wakker worden ‘s anderendaags.
De stekker ging uit de regering. Een coalitie van politici, verkozen nadat de ene in zijn regio de anderen zwart heeft gemaakt. En dan lief moeten zijn voor elkaar. De daaropvolgende verkiezingen versterkten de tegenstelling. Twee onverenigbare partijen, ieder de grootste in hun eigen regio, moesten het bij elkaar aanvragen. Na anderhalf jaar palaveren koos de ene er voor om njet te zeggen. Ondertussen smolten de sociale en economische ijskappen. Onze schuldenberg begon te stinken. Dringende maatregelen werden alsnog genomen, na uitstel van de executie. Besparen was de boodschap. We zijn met ons landje door het oog van de naald gekropen. Terwijl het grote Europa door nog een kleiner oog moest kruipen. En we zijn er nog niet vanaf, terwijl we zo graag willen dat het voorbij zou zijn. Dat we kunnen slapen en dromen van ons verlof aan de kust, in mijn jeugd nog de Ardennen.
Ik hield mijn hart vast. Alles wat vanzelfsprekend leek, was dat niet meer. We keken naar onze navel en ergerden ons aan pluisjes. De resterende partijen namen hun verantwoordelijkheid en waren veroordeeld tot een club waar niemand graag lid van was. Een coalitie waar geen eer te rapen viel. Of toch niet bij de volgende verkiezingen, want voor geschiedschrijving doen we het niet meer. En onze memoires schrijven we toch al op jonge leeftijd, zoals de veldrijders die we aanbidden. Onze welvaart staat onder druk; jobs verdampen terwijl je er naar kijkt. We betalen met steeds minder voor steeds meer mensen. We zijn tegen de overheid, maar verwijten haar dat ze het probleem niet oplost. Politicus is een scheldwoord. Wie talent heeft gaat wel bij de bank werken. Daar zit het geld.
Op zondag 14/10 werd u een vraag gesteld: wie kan volgens jou het beste met jouw geld de komende zes jaar jouw stad kan leiden. Wie heeft volgens jou de beste visie en zal die het sterkst kunnen realiseren? Vol ongenoegen trokken we naar de stembus. Gefrustreerd over de crisis, onze bedreigde welvaart, de vreemdelingen en de politiek. Geërgerd door de andere, of ze nu oud of zwart waren. En die Franstaligen… Na decennia van Nederlandstalige eerste ministers heeft de nationale minderheid een eigen socialistische premier gekregen. De populairste politicus van de populairste partij… Degene die overblijf toen die andere populist eieren koos voor zijn geld. We stemden met ons ongenoegen. Iedereen kreeg te horen dat hij gelijk had, ook al waren dat conflicterende gelijken. Met onze buik. We gaven een antwoord op de vraag die ons niet werd gesteld; moet het anders? Ja godverdomme ja. Wat het ook zij, als het maar anders is. Een blinde keuze.
Ik woon in Antwerpen. Gemigreerd vanuit een andere gauw, niet behorend tot de lokale gilde. Ik was welkom in een stad die opnieuw leerde fier zijn. Die koos voor de moeilijkste weg: samenleven met veel en heel verschillende mensen. En Antwerpen slaagde er wonderwel in om mensen te verenigen. Een vlag met een A op. De enige vlag waar ik warm van werd, waarvan ik dacht: hier hoor ik bij. Hoewel ik altijd clubjes heb geschuwd. Stapvoets kregen we tesamen een goed gevoel bij onze stad, met de nodige opstootjes en deuken, nooit helemaal verlost van de schaduw van de haat. Het is leuk wandelen in de stad. Goed fietsen. Lekker eten. Sympathieke mensen. Veel groen om in te zitten. Nog te weinig scholen en teveel files, waar we dat liever omgekeerd zien. Alles kan beter, maar er is veel goeds gedaan en weinig misgelopen. We vinden dat normaal. Vanzelfsprekend. Een compliment voor zei die het beleid voeren.
Gisteren zag ik een man op het stadhuis. Een grauw gekneld gezicht, misnoegd en zoekend naar erkenning. Gedreven door een gevoel over Vlaanderen dat mij vreemd is. Zelf bedachte emotie. De waan die hij zelf gelooft. Ik kijk ernaar alsof ik fictie lees. Het is een sterk verhaal, maar niet de waarheid. Het land is onbestuurbaar, de verschillen zijn onverenigbaar. We moeten het zelf doen, de Franstaligen lossen. En met Brussel, daar waar nauwelijks Vlamingen wonen, maar veel welvaart vandaag komt, dat zien we nog wel. Problemen voor later. Het einde van België. Een onafhankelijk Vlaanderen. En dan wordt het beter. En als dat niet het geval is, is het iemand anders zijn schuld. Van de Islamieten, van de Oost-Europeanen of van gans China. Het is hun schuld. We moeten van hen af zien te geraken. Dat is de oplossing, wij zijn het antwoord. Vanavond is de stad van ons.
De kiezer heeft beslist. De keizer is gevallen. Hij dacht dat hij zou beoordeeld worden op de realisaties van hem en zijn ploeg. Op het goede werk. Op zijn visie en daadkracht. Maar de kiezer was zijn smoel beu. Ander en beter! Iemand nieuw! Een verhaal met een slechterik spreekt meer aan. Een makkelijk aanwijsbare schuldige is beter dan een gematigd en veelzijdig verhaal over hard werken en doorbijten. We spraken niet over de toekomst van onze stad. Zodra die Franstalige socialist met zijn belastingsregering wordt verdreven, regent het manna en eten we rijstpap met gouden lepels. De gevallen keizer liet een traan. En de bruut onthulde zijn ware gelaat. Deze man nam mij de eer af om te zeggen dat de stad OOK van mij was. Iets wat ik hem niet makkelijk kan vergeven.
In 2014 zijn er opnieuw verkiezingen. Regionaal, federaal en Europees, als u dat iets zegt. De verplichte bondgenoten voelen zich al even ongemakkelijk als een groep tieners in de sauna. De Vlaamse politieke partijen willen niet nog eens afgestraft worden voor een beleid waar ze zelf niet happig op zijn. Twee jaren van non beleid en politiek gefriemel liggen in het verschiet. Om dan twee partijen op ramkoers te zien gaan. De ene sterk in het verweer, omdat er geen alternatief wordt geboden. Vasthoudend aan wat er is, omdat het alternatief er een pak minder goed uitziet. De andere verblind door emotie over een zelf verzonnen verhaal, met de overtuigign dat alles beter zal zijn, als de zieke ledematen worden geamputeerd. Anderhalf jaar heeft het vorige keer geduurd. Onverantwoord lang, maar dat is natuurlijk een ander zijn schuld… Dat België interesseert mij niet, maar het is voor mij beter dan de mythe van het Vlaanderen dat niet bestaat. Maar maak van ons Antwerpen niet de inzet.
Zes jaar lang zijn ze de grootste partij in mijn stad. Ze hebben de ambitie om hun taak serieus te nemen en uit te zitten. In de politiek is een belofte al niets waard, wat zou een ambitie dan betekenen. Ze verdelen, in plaats van te verenigen. Ze eigenen zicht toe, in plaats van te delen. De stad is van hen, beweren ze. Ik hoor niet bij hen, maar ondertussen is het wel mijn stad. Onze stad, zoals we die samen zijn gaan noemen. Het gevoel dat wij bij elkaar horen, omdat wij de mooiste stad delen. Dat ‘wij’ heeft de verkiezingen verloren. Voor een ‘ons’ waar ik niet in geloof. Een ‘ik’ waar ik niet achter sta. En nu zit ik hier, met twee kleine Antwerpenaren op mijn schoot, uit te leggen waarom papa moest wenen toen die enge man nare woorden sprak.
Ik ben ontgoocheld. Kwaad en bedroefd. Op de sjacheraars die onze stad inzetten als een koevoet om in het federale huishouden in te breken. Een middel, voor een ander doel. Ik heb geen partijkaart en stem op evenveel verschillende partijen als ik vrouwen zou willen binnendoen. Maar de afgelopen zes jaar waren goed voor Antwerpen. Een sterke burgemeester heeft goed bestuurd. Hij wordt opgevolgd door een misnoegde man, gedreven door niet verteerde emoties uit een tijdperk waar ik geen herinnering aan heb. En dat doet hij in mijn naam, de Vlaming die ik niet ben. Hoewel ik het ongenoegen aanvoel en de frustratie begrijp is dit een experiment waar ik mij niet aan wil wagen. Ik laat het liever niet op zijn beloop. Onze stad ligt mij daarvoor te nauw aan het hart. De ‘laten we zien’ houden is mij vreemd.
De stad is van ons. Van iedereen die zich ‘ons’ wil noemen. Van mij en van u. En zelfs van de mensen die er tegen hebben gestemd. Het komt niet zonder voorwaarden. Houd van deze stad en ge zult geen nooit een andere nog zo beminnen. De stralende A is de enige vlag waar ik iets bij voel. Een dom stuk textiel met een omgekeerde frietzak op maakt me week. Noem me geen Belg of Vlaming, maar Antwerpenaar, dat wil ik best wel zijn. Dat is de enige club waartoe ik wil behoren. Ik laat deze stad niet los. Hoewel de ontgoocheling groot is zal ik waken over ‘ons’, over ‘wij’. Dat er niets kapot gemaakt wordt, wat we graag zien, wat goed is voor ons. Dat ze ‘ons’ niet misbruiken om andere doelen te bereiken. Niet in mijn naam. Ik vrees dat ik de komende zes jaar geen burgemeester zal hebben. Want ik hoor niet bij zijn club en hij zegt dat de stad van hem en de zijnen is. Maar het stad is van ‘wij’ en dat pakken ze ons niet af. Deze stad is het enige geloof waarvoor ik wil vechten. En ik hoop dat ik niet alleen ben. ‘Wij’ is gisteren verloren van ‘ons’, maar ‘wij’ zullen weer opstaan en onze stad verdedigen, voor iedereen die er deel van uitmaakt.

Merci Patrick, voor alles.